La lumière dans plusieurs tableaux est argentée. Je ne sais pas comment j’ai fait ça, et ce n’était pas intentionnel. Puis, j’ai pensé aux peintures argentiques de Corot. Peut-être est-ce la particularité de la lumière française que d’avoir un reflet argenté ?

7 août : C’est une peinture avec cette lumière argentée. Si vous voyez le tableau à l’ombre, il a l’air assez orageux. Si vous voyez le tableau à la lumière du soleil, le paysage semble également ensoleillé. Ce jour là, le temps était orageux, jusqu’à environ trois heures. Et à partir de là, il est devenu très ensoleillé, avec parfois cette lumière fraîche que l’on peut avoir après un gros orage. La peinture est partie du grand arbre sur la gauche. Tout le reste a dès lors trouvé sa place sur la toile. En fait, la composition semble être basée sur rien. Il ne se passe pas grand-chose. Vous êtes juste confronté à une plaine dénudée.

8 août : Il s’agissait de très grands chardons. J’ai placé la toile sous l’objet plutôt qu’à côté. Le tout a été mis en place de manière très libre. Ce tableau est différent de mes autres peintures : de loin, le sujet semble peu clair. C’est de près qu’elle révèle son effet spécifique : j’ai remarqué que lorsqu’on se déplace devant la toile, elle s’anime, comme si les choses se remettaient en place.

15 juillet : La vache ruminait. Je n’ai jamais eu un aussi bon modèle. Je pense avoir travaillé sur cette peinture pendant environ 45 minutes. Pendant tout ce temps, elle n’a pas bougé, et elle ne s’est pas souciée de ma présence. Elle était complètement vache. À un moment donné, le vent a fait tomber le chevalet et la toile. Une autre vache a sauté de frayeur et s’est enfuie en se soulageant. La vache, elle, est restée calme. C’est l’une de mes peintures les plus détaillées, jusqu’aux brins d’herbe et aux sabots. Je suis aussi très satisfait de la tête.

9 juillet : Ici, la possibilité d’une histoire semble entrer en ligne de compte. Le ciel et le paysage me font penser aux premiers peintres paysagistes flamands, comme Bruegel, ou même Patinir, mais lorsque je cherche, je ne trouve pas d’exemple concret. L’ensemble montre un paysage avec des toits rouges en bas. Au loin (le point blanc) se trouve un hameau. Je l’ai peint depuis un chemin de terre.

1er août : Ce jour-là, j’ai été frappé par les nuages et la lumière, et je suis allé dans un champ non loin de l’endroit où j’ai peint le tableau du 9 juillet. J’y ai installé mon chevalet et j’ai essayé de peindre des nuages pour la première fois de ma vie. Le terrain est une sorte de plateau. Ici aussi, la lumière argentée. Le nuage respire. Au deux tiers du nuage, il y a comme un diaphragme. Le poids du nuage au-dessus fait expirer avec force tout ce qui se trouve au dessous.

Brecht Koelman  

 

Het licht in verschillende schilderijen is zilverig van aard. Ik weet niet hoe ik dat heb gedaan, en het was ook niet intentioneel. Maar ik moest daarna denken aan de zilverkleurige schilderijen van Corot. Misschien is het eigen aan het Franse licht dat er een zilverachtige glans in zit?

7 augustus: dit is een schilderij met dat zilverkleurige licht. Als je het schilderij in de schaduw ziet, lijkt het tamelijk stormachtig. Zie je het schilderij in het zonlicht, dan lijkt het landschap ook zonnig. Het was die dag tot een uur of drie ook onweersachtig. En vanaf dan werd het heel zonnig, met soms dat frisse licht dat je na een fiks onweer kunt hebben. Het schilderij vertrok aan de grote boom links in beeld. Al de rest heeft vervolgens zijn plaats gevonden op het doek. In feite lijkt te compositie nergens op te berusten. Er gebeurt per slot niet veel. Je kijkt vooral naar een kale vlakte.

8 augustus: dit waren zeer grote distels. Ik plaatste het doek onder het voorwerp in plaats van ernaast. Het geheel werd zeer los opgezet. Het schilderij werkt anders dan mijn andere schilderijen: vanop een afstand lijkt het onderwerp onduidelijk. Het is van dichtbij dat het zijn specifieke werking openbaart: het viel me op dat, wanneer je beweegt voor het doek, het tot leven komt, alsof dingen opnieuw op hun plaats vallen.

15 juli: de koe was aan het herkauwen. Ik heb nooit zo’n goed model gehad. Ik schat dat ik zo’n drie kwartier aan het schilderij heb gewerkt. Al die tijd heeft ze niet bewogen, en het interesseerde haar niet dat ik er was. Ze was volledig koe. Op een gegeven moment blies de wind de ezel met het schilderij tegen de grond. Een andere koe sprong van schrik op, en rende, zich ontlastend, weg. Deze koe bleef rustig liggen. Het is een van mijn meest gedetailleerde schilderijen: er zijn grassprietjes, en hoefjes. Ik ben ook erg tevreden over de kop.

9 juli: Hier lijkt de mogelijkheid van een verhaal in het beeld te komen. De hemel en het landschap doen me denken aan een Vlaamse vroege landschapsschilder, zoals Bruegel, of zelfs Patinir, maar als ik zoek vind ik geen concreet voorbeeld. Het geheel toont een landschap met onderaan de rode daken. In de verte (het witte puntje) ligt een gehucht. Ik schilder het vanaf een onverhard weggetje.

1 augustus: die dag werd ik getroffen door de wolken en het licht, en ben een veld ingetrokken, niet ver van de plaats waar ik het schilderij op 9 juli heb geschilderd. Ik heb er mijn ezel opgesteld en voor het eerst in mijn leven getracht wolken te schilderen. Het veld is een soort hoogvlakte. Ook hier weer het zilverige licht. De wolk ademt. In de wolk zit op twee derde een middenrif. Het gewicht van de wolk daarboven laat alles daaronder krachtig uitademen.

Brecht Koelman